Bestuurdersaansprakelijkheid WBA

Wet Bestuurdersaansprakelijkheid

Volgens de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid (WBA) kan een bestuurder na een faillissement privé aansprakelijk worden gehouden voor niet betaalde belastingen en premies als hij deze niet tijdig heeft gemeld.

Hoe werkt de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid (WBA) in de praktijk?

In geval van een faillissement, biedt de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid extra bescherming aan de belastingdienst en uitvoerende instanties. Om privé aansprakelijkheid te vermijden is het maar aan de ondernemer te bewijzen dat hij wel op tijd aan de meldingsplicht heeft voldaan. Heeft hij dat niet gedaan dan wordt hem onbehoorlijk bestuur verweten.

Door de WBA kunnen de belastingdienst en het uitvoeringsinstituut rustig achterover leunen wanneer een faillissement aan de orde is. Nadat de vorderingen van hen bekend zijn wachten zij rustig af welk deel van de vorderingen uit de boedel nog betaald kan worden. Na afloop van het faillissement controleren zij simpelweg of voor de niet betaalde belastingschulden en premies sociale verzekeringen tijdig een mededeling betalingsonmacht is ontvangen.

Is dat niet het geval dan zullen zij de bestuurder privé aansprakelijk stellen.

Niet gemeld, dubbel fout!

Wanneer niet, of niet op een juiste wijze aan de meldingsplicht is voldaan dan wordt een wettelijk vermoeden in het leven geroepen van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Het wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur zorgt ervoor dat op de bestuurder een dubbele bewijslast rust:

  • Hij moet aantonen dat er wel degelijk op een juiste wijze aan de meldingsplicht is voldaan en
  • hij moet ook aantonen dat er geen sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur.

Wel gemeld, toch aansprakelijk?

Zelfs al heeft de ondernemer op de juiste wijze aan de meldingsplicht voldaan, dan betekent dat niet automatisch dat hij niet aansprakelijk gesteld kan worden. Maar in dit geval ligt de bewijslast niet bij hem.

Indien aannemelijk is dat niet-betaling aan de bestuurder te wijten is als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur gedurende de drie jaren voorafgaande aan de melding, dan kan de bestuurder alsnog aansprakelijk gesteld worden.

Hierbij is wel het voordeel van de ondernemer dat de bewijslast in deze situatie alleen rust op de belastingdienst c.q. de bedrijfspensioenfonds/uitvoeringsinstituut.

Altijd melden?

Veel ondernemers worstelen met de vraag of zij de wettelijke meldingsplicht ook daadwerkelijk moeten nakomen omdat juist het melden de onderneming dichter bij een faillissement zou kunnen brengen.

Daarom lappen sommige bestuurders deze meldingsplicht heel bewust aan hun laars. Ze gokken dan gewoon op het voortbestaan van de onderneming. Maar heeft hij verkeerd gegokt dan wordt een eventuele doorstart onmogelijk.

In de praktijk blijkt dat bestuurders de meldingsplicht niet onder alle omstandigheden wensen na te komen omdat het eraan voldoen de onderneming dichterbij een faillissement kan brengen.

Het niet voldoen aan de meldingsplicht houdt ook niet automatisch in dat de bestuurder ooit aansprakelijk gesteld zal worden. Immers, aansprakelijkheid komt alleen in beeld wanneer de vennootschap daadwerkelijk failliet gaat. Als een faillissement uitblijft zal een aansprakelijkheid van de bestuurder nooit aan de orde kunnen zijn.

Dat brengt ondernemers ertoe om zorgvuldig af te wegen welke consequenties het voldoen aan de meldingsplicht uiteindelijk kan hebben, in combinatie met de kans op een daadwerkelijk faillissement.

Vaak komt de meldingsplicht aan de orde wanneer er ook een spanning is tussen de onderneming en de bank. De onderneming heeft er dan geen belang bij dat door ingrijpen van de belastingdienst en/of de uitvoeringsinstantie de bank gealarmeerd wordt en over zal gaan tot opzegging van de kredieten. Dat is ook niet denkbeeldig als de bank geconfronteerd wordt met het teruglopen van haar zekerheden als gevolg van het ingrijpen van de Ontvanger. Daarmede kan het voldoen aan de meldingsplicht inhouden dat het faillissement onafwendbaar wordt als gevolg van een kredietopzegging door de bank, welke opzegging is geïnitieerd door het ingrijpen van de Ontvanger.

Verstandige bestuurders zorgen ervoor dat zij toch op een juiste wijze aan de meldingsplicht voldoen, om daarmede in geval van een onverhoopt faillissement toch de optie van een “doorstart” open te kunnen houden. Een succesvolle doorstart kan worden gefrustreerd wanneer de ondernemer achteraf met een claim geconfronteerd wordt uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid (zie ook valkuilen doorstart).